De eerste patiënt... een dramatisch voorbeeld

Op weg naar herstelUit het boek 'Op weg naar herstel' van Dr. Carl Simonton waarin de Simontontherapie wordt beschreven, een zelfhulpprogramma voor mensen met kanker.

Bent u geïnteresseerd in dit zelfhulpprogramma icm mijn support-sessies, dan kunt u dit boek bij mij in bruikleen krijgen.

 
 

De eerste patiënt bij wie wij onze nieuwe theorieën in praktijk trachtten te brengen, was een eenenzestigjarige man die zich in 1971 bij de Medical School aanmeldde met een vorm van keelkanker waarvan de prognose somber is. Hij was erg verzwakt, zijn gewicht was gedaald van 62 naar 47 kilo, hij kon zijn speeksel nauwelijks wegslikken en kon moeilijk ademhalen.
 
De kans dat hij nog vijf jaar zou leven was minder dan vijf procent. De artsen die aan de Medical School verbonden waren hadden ernstig overwogen of zij hem nog wel zouden behandelen, omdat het heel goed mogelijk zou zijn dat een behandeling de situatie voor hem alleen nog ellendiger zou maken terwijl de kanker er nauwelijks minder door zou worden.
 
Carl ging de onderzoekkamer binnen met de stellige overtuiging dat hij deze man zou gaan leren actief aan zijn behandeling mee te werken. Dit was een geval dat deze uitzonderlijke maatregelen rechtvaardigde. Carl begon de behandeling door de patiënt uit te leggen hoe hij zelf het verloop van zijn ziekte zou kunnen beïnvloeden. Vervolgens ontvouwde Carl een programma dat bestond uit ontspannings- en visualisatie-oefeningen en gebaseerd was op de gegevens die we inmiddels verzameld hadden. De man moest per dag drie keer vijf tot vijftien minuten vrij maken, 's morgens bij het opstaan, na de lunch en 's avonds voor het naar bed gaan.
 
Hij kreeg de opdracht om dan eerst rustig te gaan zitten en zich te concentreren op de spieren in zijn lichaam, te beginnen bij zijn hoofd en eindigend bij zijn voeten. Tegen elke spiergroep moest hij zeggen dat ze zich moesten ontspannen. Als hij zich dan meer ontspannen voelde, moest hij zich gaan voorstellen dat hij zich op een rustige, prettige plek bevond, zittend onder een boom, bij een riviertje, of iedere andere plek die hem inviel zolang hij het er maar prettig vond. Vervolgens moest hij zich een zo helder mogelijke voorstelling maken van zijn kanker, welke vorm die dan ook aannam.
 
Daarna vroeg Carl de patiënt zich de bestralingsbehandeling voor te stellen als een regen van miljoenen energiekogeltjes die alle cellen, normale en kankercellen treft. Omdat kankercellen zwakker en slechter georganiseerd zijn dan gezonde cellen, zijn zij in tegenstelling tot de gezonde cellen niet in staat om zich van de aangerichte schade te herstellen. De normale cellen zouden dan ook gezond blijven terwijl de kankercellen zouden sterven.
 
Na deze fase vroeg Carl de patiënt om zich een voorstelling te maken van de laatste en meest belangrijke fase- zijn witte bloedlichaampjes verschijnen ten tonele, ze zwermen uit over de kankercellen en brengen de vernietigde en bijna vernietigde cellen naar de nieren en de lever om ze via deze organen vervolgens uit zijn lichaam te verwijderen.
De patiënt kreeg ook nog de opdracht om zich voor te stellen dat het kankergezwel kleiner en zijn gezondheidstoestand weer normaal werd. Na elke oefenperiode kon de patiënt weer doorgaan met zijn dagelijkse bezigheden.
 
Wat er toen gebeurde ging alle ervaringen die Carl inmiddels had opgedaan met de zuiver medische behandeling van kanker te boven. De bestraling werkte buitengewoon goed en de huid en de slijmvliezen in mond en keel van de patiënt vertoonden vrijwel geen enkele negatieve reactie op de bestraling. Halverwege de behandeling kon de patiënt weer eten. Zijn kracht en zijn gewicht namen weer toe, en de kanker verdween steeds meer.
 
De patiënt vertelde dat hij tijdens de gehele behandeling, dus in de periode dat hij bestraald werd en de visualisatie-oefening deed, slechts één oefensessie gemist had en wel toen hij met een vriend samen een autoritje maakte en in een file terecht kwam. Hij was daardoor van streek geraakt want hij had het idee dat hij door het missen van deze ene zitting de controle over zijn gezondheidstoestand zou verliezen.
 
Het behandelen van een patiënt volgens deze methode was een zeer opwindende aangelegenheid maar ook ietwat beangstigend. De behandelmethoden die nu binnen ons bereik leken te komen, gingen veel verder dan de methoden die Carl tijdens zijn formele medische opleiding had geleerd.
 
De gezondheidstoestand van de patiënt bleef zich verbeteren en na twee maanden waren er geen tekenen van kanker meer. Hoe sterk zijn overtuiging was dat hij het verloop van het ziekteproces kon beïnvloeden, kwam duidelijk naar voren toen hij tegen het eind van zijn behandeling tegen Carl zei: ' Dokter, in het begin had ik u nodig om beter te kunnen worden , maar vanaf nu zou ik het verder wel zonder u af kunnen. '
 
Na het verdwijnen van de kanker nam de patiënt geheel zelfstandig het besluit om de visualisatie-technieken ook toe te gaan passen op de reumatische klachten waarvan hij al jaren last had. Hij maakte zich een voorstelling van zijn witte bloedlichaampjes die het oppervlak van zijn gewrichten glad maakten en daarmee doorgingen tot het oppervlak weer soepel was. Zijn reumatische klachten verminderden steeds meer en hoewel ze nu en dan terugkeerden was hij ze in die mate de baas dat hij regelmatig kon gaan vissen in een snelstromende rivier, iets wat geen eenvoudige sport is, zelfs niet voor iemand zonder reumatische klachten.
 
Nu, meer dan zes jaar later, blijkt deze patiënt op alle genoemde terreinen nog steeds goed en gezond te functioneren.